Het is verbijsterend dat de Nederlandse overheid sinds de oorlogsjaren nauwelijks iets, laat staan in structurele zin, heeft ondernomen om deze stoffelijke resten op te sporen en te identificeren. De overheid stelt zich op het standpunt dat een actief beleid ten aanzien van het opsporen en bergen van deze wrakken, ook die welke vermisten zouden kunnen bevatten, te kostbaar is. De N.F.L.A. streeft er daarom al jaren naar om als burgelijke organisatie in Nederland een centrale autoriteit te vormen voor onder andere coördinatie van onderzoek naar en berging van deze vermisten.
De oproep aan haar leden maakt een eind aan de tijdelijke opschorting van de bergingsactiviteiten, welke in 1993 door de N.F.L.A. werd afgekondigd. De aanleiding tot dit moratorium was de opdracht die een interdepartementale werkgroep kreeg van de toenmalige minister van Defensie Ter Beek (P.v.d.A) om uit te zoeken 'of particuliere instanties, onder verantwoordelijkheid van de lokale overheid, bergingswerkzaamheden zouden kunnen verrichten'.
Op grond van de studie bracht Defensie in april 1996 een circulaire uit aan alle gemeenten waarin geadviseerd wordt particulieren geen bergingswerkzaamheden te laten verrichten. Belangen van openbare orde en veiligheid, milieu, rechtsorde en piëteit ten opzichte van gevallenen, zouden zich daar tegen verzetten.
Eenduidige regelgeving omtrent vliegtuigbergingen ontbreekt. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van dit soort bergingen. Door de uitgebrachte circulaire dreigt de structurele opsporing en berging van vermisten wederom in een impasse te geraken. Gemeenten worden door Defensie steeds met zeer hoge kosten geconfronteerd wanneer zij berging wenselijk of noodzakelijk achten. Slechts wanneer van te voren de aanwezigheid van zware explosieven wordt vermoed kan een gemeente voor een rijksbijdrage in aanmerking komen, doch deze dekt vrijwel nooit alle kosten. Gemeenten gaan daarom veelal slechts tot ruiming over wanneer dit wegens voorgenomen infrastructurele werkzaamheden of andere bouwactiviteiten noodzakelijk wordt of is geworden. De N.F.L.A. betreurt dat want het uitvoeren van bergingen van vermiste vliegers is juist nu zo belangrijk, omdat vele nabestaanden nu nog in leven zijn.
De N.F.L.A. ziet zonder meer een rol voor Defensie weggelegd. Deze zou voornamelijk moeten liggen op het gebied van coördinatie en toezichthouding. In het buitenland (Groot Brittannië en Duitsland) is dat een geaccepteerde rolverdeling. De huidige minister van Defensie acht evenwel kennelijk geen rol weggelegd voor civiele organisaties met betrekking tot de uitvoering van bergingswerkzaamheden zelf, zulks echter zonder zelf een actief vermistenbeleid te ontwikkelen en ondanks het feit dat de N.F.L.A. een betaalbaar en acceptabel alternatief biedt. De leden van de N.F.L.A. kunnen ieder bogen op belangloze steun en sponsoring, alsmede op jarenlange ervaring.
Alle door de leden van de N.F.L.A. verrichte bergingen, ook die waarbij stoffelijke resten zijn aangetroffen -tot dusver een viertal-, zijn succesvol verlopen en hebben zonder problemen tot identificatie van de slachtoffers geleid. Gedurende de inmiddels bijna honderd bergingen die door de leden van de N.F.L.A. zijn uitgevoerd, zijn nooit ongelukken gebeurd. Verzekeraars zijn bereid gebleken tegen normale condities dekking te bieden tegen alle in het kader van deze bergingen denkbare gevaren. De leden ontvingen talrijke dankbetuigingen van gemeentebesturen in heel Nederland.
De N.F.L.A. en haar leden, gesteund door meer dan duizend donateurs en sponsors, hebben besloten, desnoods ook zonder Defensie, voort te gaan op hun weg, in de overtuiging dat hun inspanningen niet alleen het belang dienen van de Nederlandse geschiedschrijving, maar vooral ook het belang van diegenen die tot op de dag van vandaag in onzekerheid verkeren over het lot van hun dierbaren.
De N.F.L.A. heeft haar leden geadviseerd om weer te gaan bergen.
Op 23 en 24 oktober 1997 werd door de Stichting Vrienden van het Luchtvaartmuseum Twenthe, één van de leden van de Nederlandse Federatie voor Luchtvaartarcheologie (NFLA), in de gemeente Ommen een Duitse jager van het type Me 109G-6 geborgen. Tijdens deze berging, die in nauwe samenwerking met gemeente, politie, justitie en provincie werd uitgevoerd werden ook de stoffelijke resten van de nog vermiste piloot aangetroffen. Enkele dagen na de berging werden de stoffelijke resten van de piloot begraven op de Duitse militaire begraafplaats Ysselstein (L). De persoonlijke eigendommen van de piloot en de bewijzen voor zijn identiteit werden aan de daarvoor verantwoordelijke Duitse instanties Volksbund Deutsche Kriegsgraeberfürsorge e.V. en Duitse Dienststelle overgedragen.
Op 29 maart 1999 werd de Stichting door de betrokken Duitse instanties geïnformeerd dat de vlieger officieel geïdentificeerd is als: Unteroffizier Alfred Brandes, geboren op 25 februari 1919 te Triangel. Ook de nabestaanden zijn inmiddels door voornoemde instanties ingelicht. Beide instanties en de nabestaanden hebben reeds hun grote waardering uitgesproken over de wijze waarop de berging uitgevoerd is.
Historische kader
Op 10 februari 1944 startte de IV. Gruppe van Jagdgeschwarder 3 (IV./JG3) om plus minus
10.15 uur met een twintigtal Messerschmitt Bf-109G-6’s op van het vliegveld Venlo.
Doel van de missie van het onderscheppen van Amerikaanse bommenwerpers die op weg zijn
naar doelen in Braunschweig. Om 11.00 uur bereiken ze de Amerikaanse eenheden boven de regio
Den Ham. Vlak voordat men de bommenwerpers kan aanvallen worden ze verrast door een
Amerikaanse jachteenheid uitgerust met P-47 Thunderbolts. Deze eenheid had tot taak de
bommenwerpers tegen aanvallen van Duitse jagers te beschermen. De Duitse eenheid bevindt
zich gelijk in een nadelige positie en tijdens het daarop volgend luchtgevecht, wat zich
over heel noordoost Overijssel afspeelt, worden 13 Duitse jagers neergeschoten. Zes vliegers
komen bij de crashes om het leven De stoffelijke resten van twee van hen konden destijds niet
door de Duitse bezetter geborgen worden. een van hen, de 24-jarige Unteroffizier Alfred Brandes,
werd dus op 23 oktober door de Stichting Vrienden van het Luchtvaartmuseum geborgen.
De stoffelijke resten van de vlieger konden de eerste dag van de berging worden geborgen.
Hierbij werd ook de Erkennungsmarke met het nummer 68454/314 aangetroffen en stond de
identiteit van de piloot reeds onomstotelijk vast.
In het weekend van 6 en 7 november wordt er in de gemeente Valburg in de Betuwe onderzoek gedaan op de plaats waar een Messerschmitt 109 in de zomer van 1943 is neergestort. Wat er mogelijk gevonden zal worden, is onderzeker.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door leden van de stichting Dutch Aircraft Examination Group, de DAEG. Zij doen onderzoek naar de Luchtoorlog boven Nederlands grondgebied ten ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Deze groep onderhoudt een klein museum op De Kop van Deelen, vlakbij het militaire vliegveld Deelen. In de loop der jaren heeft de groep al grootschalig onderzoek gedaan op meer dan twintig crashplaatsen in de provincie Gelderland.
Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid handelt het hier om een Duitse éénmotorige jager van het type Messerschmitt 109 G-4. Het vliegtuig werd bestuurd door de 23-jarige piloot Albert Elte. Hij was ingedeeld bij 8./J.G. 54, de 8ste "Staffel" van "Jagdgeschwader 54 en vloog die dag met zijn kameraden boven de Betuwe met de opdracht om Amerikaanse bommenwerpers op hun weg naar Duitsland te onderscheppen. Helaas voor de Duitse Luftwaffe werden de bommenwerpers ondersteund door o.a. Amerikaanse jagers van het type Thunderbolt P-47. Waarschijnlijk is Albert Elte door één van deze jagers onder vuur genomen en het vliegtuig stortte neer. Onderofficier Elte kon het vliegtuig tijdig met behulp van zijn parachute verlaten en kwam met lichte verwondingen aan rug en linkervoet aan de grond. Ongeveer anderhalve kilometer verder naar het westen boorde de door vele kogels geraakte jager zich met grote snelheid in de bodem. Albert Elte werd overgebracht naar het vliegveld Schiphol, waar hij in het 'Krankenrevier" van de III./JG 54 werd opgenomen. Op 26 november 1943 zou hij tijdens een missie boven Duitsland opnieuw worden neergeschoten. Dit keer overleefde Uffz. Albert Elte de crash niet.
Indien het onderzoek succesvol is, zullen de medewerkers van de DAEG de restanten van het vliegtuig tentoonstellen in hun museum. Wellicht in de toekomst, zal er dan getracht worden om met behulp van de vele brokstukken, de romp van de jager weer te reconstrueren.
De stichting DAEG is aangesloten bij de Nederlandse Federatie voor Luchtvaartarcheologie, de NFLA. Aangesloten leden garanderen een professionele wijze van onderzoek, welke in overleg met de overheid tot stand is gekomen.
Het museum is gelegen aan de Hoenderloseweg op De Kop van Deelen en is zaterdag en zondag
geopend tussen 11.00 en 17.00 uur. Telefoon: 026-3531454
De NFLA heeft met name gewezen op de mogelijkheden en oplossing die de
inzet van haar leden beschikbaar hebben en zij hiermee nog altijd met
succes haar onderzoeken uitvoeren. Deze oproep werd tot april 1999 niet
gehoord. Binnen politieke kringen werd duidelijk gemaakt dat de uitvoering
van de circulaire veelal problemen veroorzaakte en daarbij de rol van
particuliere organisaties totaal werd genegeerd. Enkele mislukte bergingen
en hiermee gepaard gaande hoge kosten waren voor de politiek, onder meer na
veel aandringen door de NFLA, reden om de staatssecretaris van Defensie Van
Hoof te bewegen opnieuw gesprekken met de NFLA aan te gaan.
Binnen Defensiediensten heeft dit geleid tot meer begrip en respect voor de
werkzaamheden van de NFLA-leden, dat inmiddels een verbeterende
verstandhouding heeft opgeleverd. Echter voor een samenwerking zullen er
nog veel zaken moeten worden besproken. De NFLA voert haar werkzaamheden
binnen de wettelijke mogelijkheden op een correcte manier uit, dat inmiddels
is aangetoond. Het staat daarbij garant voor een historisch verantwoordde
aanpak, getuige de zeer aansprekende musea die de leden beheren en de
talrijke bezoekers.
De eerste bespreking, waarbij o.a. ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)
aanwezig was, ademde een positieve benadering uit om tot een goede nieuwe
richtlijn te komen. De NFLA blijft een voorstander van goede afspraken en
hoopt dat de komende besprekingen hiertoe zullen leiden.
Zaterdag 11 mei 1940
In de middag vond een tweede aanval plaats op de
Maasbruggen in Rotterdam, nadat eerder die dag een eerste geen succes
bleek. Twee Fokker T-V bommenwerpers, nr. 850 gevlogen door piloot Res.
1e Lt.vlg. J.J. Mulder en nr. 856 kregen escorte van drie Fokker D-XXI
jagers. De aanval op de brug moest de Duitse opmars naar Rotterdam staande
houden. De bommen vielen helaas net naast het doel, wel werden enige
gebouwen geraakt op het Noorder-eiland.
Op de terugweg vlogen de toestellen over vliegveld Waalhaven, dat toen juist in Duitse handen was gevallen. Twaalf tweemotorige Me 110's vielen de Fokkers aan en de formatie viel uit elkaar. De T-V nr. 850 probeerde in de bewolking weg te komen, maar werd constant beschoten door de aanvallende Duitse Messerschmitts. Het gelukte rugschutter Wijnstra om één van zijn belagers neer te schieten. Helaas was de overmacht te groot en wat piloot Mulder ook probeerde, grote delen werden van zijn toestel afgeschoten totdat een deel van de vleugel wegklapte. Het toestel raakte in een vrille. Mulder slaagde er op het laatste moment met veel moeite in de T-V op ca.100 meter hoogte te verlaten.
Piloot Mulder, waarnemer G.F. Verhage en boordschutter J. Wijnstra overleefde de crash. Boordtelegrafist L. Rozeboom werd later dood aangetroffen in het wrak, het lichaam van schutter J.L. v.d. As was verstrengeld in zijn parachute aan een staartdeel blijven hangen en werd op slag gedood toen de Fokker nr. 850 zich in de zachte veengrond in Waddinxveen boorde. De tweede Fokker T-V ontkwam op boomtophoogte, de zogenaamde Hu-bo-be (Huisje-boompje-beestje) en keerde veilig terug op Schiphol.
Bij het onderzoek was een zoon van vlieger J.J. Mulder, Sjoerd aanwezig. Voor hem betekende het vinden van de wrakdelen een eerste tastbaar bewijs, van een luchtgevecht waarin zijn vader een belangrijke rol speelde. Het werd een speciale dag, waarbij nu ook dit vliegtuig en haar bemanning de aandacht krijgt die het verdient. De stichting CRASH heeft hiermee een uniek stuk historie in haar museum. Beide toestellen 'vliegen' hier hun laatste opdracht.
Het op 23 maart 2000 gestartte overleg met Defensie over een nieuwe circulaire en ruiming van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog heeft nog geen vervolg gekregen. Opgaaf van reden was de nasleep van de vuurwerkramp in Enschede. Verwacht wordt echter dat het overleg in November of December van dit jaar alsnog zijn beslag krijgt. De NFLA vindt de ontwikkelingen bij Binnenlandse Zaken betreurenswaardig.
De N.F.L.A. streeft al vele jaren naar intensivering van het aantal bergingen van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog om daarmee het lot van thans nog als vermist te boek staande vliegers tot klaarheid te brengen. Veel tijd rest ons niet. De nabestaanden van deze dapperen zullen immers in de komende jaren uitsterven. Zij verlangen er meestal vurig naar nog tijdig te iets te vernemen over het lot van deze dierbaren. Steeds wanneer concrete resultaten op dit punt worden geboekt en de identiteit van een omgekomen piloot of bemanningslid wordt vastgesteld, draagt zulks bij tot de verwerking van het verlies, ongeacht het feit dat nabestaanden nu al meer dan vijftig jaar in het ongewisse verkeren.
Kostbare tijd is reeds onnodig verloren gegaan. Al 1993 zijn, onder de toenmalige P.v.d.A. minister van Defensie Terbeek, kamervragen gesteld over de verantwoordelijkheid van de overheid bij opsporing en berging van vermiste oorlogsslachtoffers en de daarmee vaak samenhangende berging van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. Dit heeft destijds geresulteerd in het instellen van een interdepartementale werkgroep die van de toenmalige Ministers van Defensie en Binnenlandse Zaken tot taak kreeg te onderzoeken of kaders zouden kunnen worden geschapen waarbinnen particulieren actief bij bergingswerk konden worden betrokken. Dat onderzoek is helaas nooit uitgevoerd.
In de Nederlandse bodem bevinden zich naar schatting nog 2000 vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. Naar wordt aangenomen bevinden zich in ongeveer 400 van deze wrakken nog stoffelijke resten van de bemanning. De identiteit van deze gevallenen is in een enkel geval wel, doch meestal niet bekend.
De Nederlandse regering stelt zich, in navolging van het Verenigd Koninkrijk, op het standpunt dat de locatie waar de stoffelijke resten van in de Tweede Wereldoorlog omgekomen vliegtuigbemanningen zijn achtergebleven, uit het oogpunt van piëteit, zoveel mogelijk dient te worden eerbiedigt. Uitgangspunt van het regeringsbeleid is dat deze gevallenen zullen rusten op de plaats waar zij zijn omgekomen, ongeacht of hun identiteit bekend is. Berging en herbegrafenis van deze gevallenen komt op grond van dit beleid slechts aan de orde indien de overheid daartoe verzoeken van nabestaanden bereiken of indien belangen van openbare veiligheid tot ruiming van het wrak nopen. Slechts dan rust volgens het regeringsstandpunt op de Nederlandse Overheid een inspanningsverplichting om tot berging van het wrak te komen.
De N.F.L.A. betreurt het standpunt van de Regering. Zowel de Regering, als de N.F.L.A. stellen voorop dat het offer dat de bemanningsleden van deze vliegtuigen hebben gebracht, ons voortdurend respect verdient.
De vier particuliere organisaties, verenigd in de Nederlandse Federatie voor Luchtvaartarcheologie, stellen zich, in tegenstelling tot de Nederlandse Regering, ten doel het actief opsporen en identificeren van nog als vermist te boek staande leden van de gewapende machten van zowel de voormalige geallieerden, als de toen vijandelijke mogendheden. Deze organisaties zijn van oordeel dat, teneinde te geraken tot een definitieve identificatie van deze slachtoffers, het bergen van de resten van deze slachtoffers niet bij voorbaat als middel om tot die identificatie te komen mag worden uitgesloten, indien andersoortig onderzoek niet onomstotelijk tot die identificatie zal kunnen leiden.
De praktijk leert dat het in de meeste gevallen noodzakelijk is om over te gaan tot daadwerkelijke berging van de slachtoffers om hun identiteit met zekerheid te kunnen vaststellen. De N.F.L.A. is van oordeel dat het enkele doel van identificatie het tijdelijk verstoren van de grafrust dezer gevallenen rechtvaardigt.
Zij is bovendien de mening toegedaan dat het regeringsbeleid op dit punt er aan in de weg staat dat mogelijke nabestaanden zich met een verzoek tot berging en herbegrafenis tot de overheid zullen wenden, omdat zij van het bestaan van een mogelijke locatie waar hun vermiste verwant zou kunnen rusten onkundig zijn en zorgvuldigheid en piëteit beletten dat personen van een dergelijke mogelijkheid in kennis worden gesteld, zolang de kans zeer groot is dat deze veronderstelling onjuist zou blijken.
De Amerikaanse overheid huldigt evenals de N.F.L.A. een beleid van "The fullest possible accounting of missing in action - from all wars ". De officiële Duitse instellingen voor oorlogsgevallenen stellen zich op het standpunt dat het belang van identificatie de ruiming en herbegrafenis van de stoffelijke resten op de Duitse erebegraafplaats te IJsselstein (Limburg) wenselijk maakt.
Gemeenten krijgen Zwarte Piet. De regering blijft desondanks -vooralsnog- bij het hiervoor gememoreerde standpunt, maar tekent daarbij aan dat zowel de beslissing om tot berging over te gaan, als de gehele verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de berging zelf, ligt op gemeentelijk niveau. Binnen de kaders die de wet op het gebied van openbare orde en veiligheid, milieuzorg, wapens, munitie en lijkbezorging schept, staat het gemeentebesturen, in samenspraak met de lokale justitiële autoriteiten, vrij te beoordelen of berging in het concrete geval wenselijk moet worden geacht en zo ja hoe en door welke instantie deze dient te worden uitgevoerd. De gemeente is geheel verantwoordelijk voor de wijze van uitvoering van deze ruimingen. Het is ook de gemeente die in alle gevallen opdraait voor de kosten van een dergelijke operatie, waarvoor zij in sommige gevallen een bijdrage van het rijk kan ontvangen.
De praktijk leert dat gemeenten zich veelal uit onwetendheid allereerst tot het Ministerie van Defensie wenden om de uitvoering van deze bergingen te verzorgen en te coördineren. In de praktijk betekent dit dat, afhankelijk van de regio, een van een drietal door Defensie aangewezen civieltechnische bergingsbedrijven wordt uitgenodigd om deze werkzaamheden uit te voeren, zonder dat over de daarmee altijd samenhangende hoge kosten kritische vragen worden gesteld. Dit klemt temeer omdat het Ministerie van Financiën het inschakelen van het ministerie van Defensie als een van de voorwaarden stelt om in aanmerking te kunnen komen voor een rijksbijdrage.
De praktijk heeft geleerd dat bij gemeentebesturen die in een concreet geval de afweging moeten maken tussen ruiming van (wrak)resten (eventueel mede) in het belang van identificatie, of het doen prevaleren van andere overwegingen, zoals die waarvoor de regering opteert, juist deze verantwoordelijkheden en budgettaire consequenties er in de meeste gevallen toe leiden dat berging uitblijft en daarmee in de meeste gevallen ook de identificatie van de slachtoffers.
In deze impasse hoopt de N.F.L.A. een doorbraak te bereiken, door politiek Den Haag over deze knelpunten te informeren en ondertussen gemeenten er bewust van te maken dat zij de aan dergelijke bergingen verbonden kosten aanzienlijk kunnen beperken door allereerst kritisch te kijken naar de kosten die civieltechnische bergingsbedrijven in rekening te brengen. Het gemeentebestuur kan en mag zich, aangaande de in het concrete geval te treffen maatregelen, laten informeren over alle aspecten rond deze materie, door zowel het Ministerie van Defensie als iedere willekeurige burgerlijke organisatie.
In Nederland zijn de bonafide niet-commerciële burgerlijke organisaties die op het onderhavige terrein actief zijn verenigd in de Nederlandse Federatie voor Luchtvaartarcheologie. De leden van deze organisatie stellen zich primair ten doel het opsporen en identificeren van vermiste oorlogsslachtoffers. Daarnaast stelt de N.F.L.A. zich ten doel een nationaal kennis- en documentatiecentrum te vormen op het onderhavige terrein.
De N.F.L.A. stelt zich voor dat in die gevallen waarin een verzoek van nabestaanden niet voorligt, omdat de identiteit van de bemanning van het toestel niet kon worden vastgesteld door archiefonderzoek alleen, berging met als enkel doel te komen tot identificatie steeds mogelijk moet zijn, desnoods voorgefinancierd uit particuliere middelen. De hiervoor gememoreerde particuliere organisaties leveren sinds jaar en dag waardevolle bijdragen aan het lokaliseren en inventariseren van wrakken, alsmede in sommige gevallen aan het zelf tot stand brengen van bergingsoperaties. In een groot aantal gemeenten zijn op initiatief van bij de N.F.L.A. aangesloten organisaties succesvolle bergingen, geheel in eigen beheer verricht tegen relatief lage kosten. In alle gevallen waar de stoffelijke resten van de bemanning werd aangetroffen, heeft dit tot de identificatie van de slachtoffers geleid. Berging geschiedde ook in die gevallen steeds onder eindverantwoordelijkheid van het civiele gezag.
De organisaties welke zijn verenigd in de N.F.L.A. zijn voor hun werk geheel afhankelijk van de belangeloze inzet van particulieren. Zij worden gesteund door meer dan duizend donateurs en werven fondsen bij talloze structurele en incidentele sponsors. Zij rekenen op ook uw steun, financieel, maar ook door actieve betrokkenheid en inzet. Er is nog veel werk te doen.